Steeds meer ziekenhuizen experimenteren met draagbare sensoren die 24 uur per dag vitale waarden meten. De belofte is helder: vroegtijdige signalering van verslechtering, minder administratielast, meer rust geven aan verpleegkundigen op de werkvloer en hogere patiëntveiligheid. Continue monitoring met wearables is technologie-gedreven ontstaan, maar ook vanuit de behoefte naar het eerder signaleren van vroegtijdige achteruitgang van patiënten.
Toch blijft grootschalige adoptie uit, terwijl de druk door personeelstekorten, vergrijzing en volle afdelingen oploopt. Wat zijn de factoren die adoptie belemmeren, en welke stappen zijn er nodig om de belofte van continue monitoring waar te maken? Onderzoekers, zorgprofessionals en ontwikkelaars schijnen hun licht op de stand en toekomst van continue monitoring.
De dagelijkse realiteit van de zorg
Op verpleegafdelingen stapelt de werkdruk zich op. Ervaren verpleegkundigen vertrekken, kennis verdwijnt en flexkrachten vullen de gaten zonder routine of context. Handmatig meten en registreren van waarden kost veel tijd. Jan Kreuk, projectmanager ‘Vitale monitoring op afstand’ bij het Maasstad Ziekenhuis: ‘Iedere minuut die je niet aan de patiënt besteedt, maar aan repeterende administratie, is verloren tijd. Monitoring kan dat alleen oplossen als het volledig geautomatiseerd is en geen extra handelingen vraagt.’ Daarmee verschuift de aandacht van de vraag of de technologie werkt naar de vraag hoe zij de zorg merkbaar kan ontlasten en veiliger kan maken.
Van patiëntveiligheid naar capaciteitsmanagement
Daarnaast kan betrouwbare realtime data teams helpen om bedden beter te benutten en schommelingen in zorgvraag op te vangen. Kreuk: ‘Met betrouwbare monitoring kun je bij sommige patiënten al eerder (vroegtijdig) behandeling starten en opname op de IC voorkomen.’ Monitoring groeit dan uit tot een strategisch hulpmiddel, niet alleen om individuele achteruitgang te signaleren, maar om het zorgsysteem beter te organiseren.
Klinische meerwaarde en betrouwbare metingen als basis
De klinische meerwaarde van continue monitoring komt vooral naar voren waar het risico op snelle achteruitgang of gemiste signalen hoger is, bijvoorbeeld bij hoogrisicopatiënten, bij postoperatieve patiënten en bij mensen met longaandoeningen, maar ook tijdens nachtdiensten. Slimme notificaties kunnen helpen om achteruitgang tijdig te signaleren. Martine Breteler, universitair docent technische geneeskunde gespecialiseerd in continue monitoring bij het UMC Utrecht: ‘Een systeem dat klinische relevante veranderingen in vitale waarden combineert tot een gerichte waarschuwing, kan het verschil maken tussen tijdig bijsturen, of alsnog een IC-opname.’
Voordat continue monitoring structureel kan worden ingebed in een zorginstelling, moet duidelijk zijn wat het daadwerkelijk oplevert. De waarde ligt niet alleen in het eerder signaleren van klinische achteruitgang, maar juist in de vraag hoe het verpleegkundigen kan helpen om onder hoge werkdruk goede, veilige zorg te blijven leveren. Volgens Martine Breteler: ‘De techniek is pas klinisch relevant als zorgprofessionals merken dat ze hiermee beter in staat zijn om tijdig de juiste interventies in te zetten en zo verdere verslechtering van patiënten kunnen voorkomen. Continu monitoring moet verpleegkundigen direct ondersteunen in hun werk, bijvoorbeeld tijdens een drukke avonddienst, door zekerheid te bieden en handelingsperspectief te vergroten.’
Dat betekent wél dat vroegtijdige achteruitgang gesignaleerd moet kunnen worden. Onderzoek laat zien dat vroegtijdige signalen soms worden opgepikt, maar harde uitkomsten blijven onduidelijk. Dat heeft meerdere oorzaken. De studies gebruiken vaak kleine en verschillende patiëntenpopulatie, de toepassingen lopen uiteen en de datakwaliteit wisselt omdat de meetkwaliteit niet altijd stabiel is. De meetbetrouwbaarheid is cruciaal. Zuurstofsaturatie wordt standaard gemeten met fotoplethysmografie (PPG). Deze methode is gevoelig voor beweging, beperkte doorbloeding (perfusie) en variaties in huidtype. Zodra een patiënt beweegt, kunnen waarden verspringen of wegvallen. Dat geldt niet alleen voor PPG. Ook ECG-elektroden en niet-invasieve bloeddrukmetingen kunnen bij beweging of koude extremiteiten ruis op het meetsignaal geven.

‘In de praktijk zien we dat verpleegkundigen op reguliere afdelingen hiermee worstelen, vooral wanneer zij niet direct kunnen beoordelen of een afwijking echt is of ruis. Een patiënt kan actief zijn, praten, transpireren of tegen de sensor aanliggen. Daardoor keurt het systeem metingen af en ontstaan er gaten in de data, of verschijnen er meetafwijkingen’, aldus Ron van Oudenallen, operationeel manager bij FastFocus en betrokken bij de ontwikkeling van een continu-monitoringssysteem.
Waar een verpleegkundige bij een handmatige saturatiemeting met een vingerclip kan beoordelen of een waarde klopt door de patiënt te observeren, gebeurt dat bij draadloze monitoring niet. Het systeem meet in principe blind, zonder directe context. De verpleegkundige moet dus meer vertrouwen op de juistheid van het systeem dan bij een conventionele meting, en dat vertrouwen is nog broos.
Het belang van eigenaarschap en autonomie voor adoptie
‘Wat we in de praktijk zien, is dat continue monitoring heel veel data oplevert. In theorie kun je die trends analyseren om verslechtering vroeg te zien. In de praktijk past dat niet bij het werk van verpleegkundigen,’ aldus Ron van Oudenallen. Verpleegkundigen hebben behoefte aan correcte metingen en willen vooral weten wanneer ze in actie moeten komen.
De interpretatie van ruwe data uitbesteden aan een controlekamer, IC-verpleegkundigen of studenten lijkt een oplossing, maar het zorgt vaak voor minder eigenaarschap en onduidelijke verantwoordelijkheden. De software, met duidelijke algoritmes, hoort ruis te filteren en alleen betrouwbare, goed onderbouwde waarschuwingen te geven die passen in het werkproces. De klinische blik blijft leidend, technologie vult aan en neemt niet over. Zo blijft verantwoordelijkheid helder en groeit vertrouwen.
Van techniek naar organisatievraagstuk
Pas als techniek, processen en mensen op elkaar zijn afgestemd, kan monitoring structureel werken. Gebruiksvriendelijkheid van de technologie is daarentegen wél cruciaal. De software dempt ruis op het meetsignaal, laat onbetrouwbare waarden zien als onbetrouwbaar en geeft alleen waarschuwingen waar je iets mee moet. Technologie voegt pas waarde toe wanneer zij complexiteit vermindert en wanneer dubbele handelingen worden voorkomen.
Sensoren worden beter, maar technische verfijning alleen is niet genoeg. De kracht van continue monitoring hangt af van de manier waarop het systeem wordt ingebed in de zorgorganisatie. Dat begint bij betrouwbare data en goede EPD-koppelingen. Leg dit vooraf vast in een klein kernteam onder leiding van de medisch eindverantwoordelijke en de verpleegkundig leidinggevende, met de klinisch fysicus en EPD-beheerder als vaste leden. Dit team bepaalt welke gegevens je vastlegt en het meetinterval. Maak ook duidelijk wie waarschuwingen beoordeelt en opvolgt, en wie meetproblemen oplost.
Om adoptie van continue monitoring te stimuleren zijn duidelijke afspraken nodig. Protocollen en richtlijnen waarin staat vastgelegd vast hoe er wordt omgegaan met het delen van gegevens, welke standaarden worden gebruikt en wie waarvoor verantwoordelijk is
De businesscase voor continue monitoring
Helaas is er nog geen overtuigende, eenduidige businesscase voor continue monitoring op reguliere verpleegafdelingen. Resultaten uit pilots en praktijkprojecten zijn veelbelovend, maar niet consistent of robuust genoeg om structurele financiering te onderbouwen. Winst in kortere ligduur, snellere signalering en meer rust op afdelingen laat zich nog lastig hard maken in financiële of operationele baten. Kreuk vat het samen: ‘De technologie werkt, maar de waarde ervan is niet direct in cijfers te vangen. Het effect zie je in minder stress, snellere beslissingen en een beter overzicht. Dat zijn voordelen die niet direct zichtbaar zijn in budget of DBC-productie, maar die in het dagelijks werk wel tellen.’
Daar komt bij dat het huidige bekostigingssysteem in de zorg beperkt is ingericht op preventieve en proactieve modellen. Zolang instellingen vooral inkomsten genereren bij behandelen en minder bij voorkomen, blijft de economische prikkel om te investeren in continue monitoring beperkt. De technologie kan pas echt doorbreken als ook de bekostiging meebeweegt, van productiegedreven naar waardegedreven zorg, waarin voorkomen evenveel waard is als genezen.
Tot slot: De menselijke factor
Alles valt of staat met vertrouwen. Niet de techniek, maar de mens bepaalt of continue monitoring echt werkt. ‘Adoptie mislukt niet door techniek, maar door mensen die zich er niet in herkennen,’ aldus Martine Breteler. ‘Als verpleegkundigen merken dat het hun werk écht makkelijker maakt, volgt acceptatie vanzelf.’
Technologie kan processen versnellen en signalen verbeteren, maar alleen als zorgprofessionals erop kunnen vertrouwen dat het systeem betrouwbaar is én hun werk ondersteunt. Wanneer verpleegkundigen merken dat technologie hen helpt in plaats van extra controle oplegt, groeit acceptatie vanzelf.
Continue monitoring vraagt dus niet alleen om sensoren en software, maar om een andere manier van samenwerken. Duidelijke processen, eigenaarschap bij het zorgteam en transparante data zijn daarbij onmisbaar. Pas dan wordt monitoring een verlengstuk van de zorg, in plaats van een nieuwe taak erbij.
Continue monitoring is niet mislukt, het moet beter worden gepositioneerd. Niet als gadget die vanzelf problemen oplost, maar als verandering in werkwijze die vraagt om vertrouwen, bestuurlijke regie en afspraken die je kunt toetsen. Adoptie vindt plaats wanneer datakwaliteit zichtbaar is, verantwoordelijkheden helder zijn, registratielast aantoonbaar vermindert en de technologie past in het dagelijks werk. Dan wordt continue monitoring geen belofte die in pilots blijft steken, maar een versterking van de zorg: voelbaar voor verpleegkundigen én voor patiënten.


Herkenbare uitdagingen en een goed stuk als basis voor vervolg. Stop met onnodige pilots, maar focus op het organisatorische vraagstuk. Daarnaast denk ik dat CM onderdeel kan zijn van de BC datagedreven zorg. Daarbij is CM onderdeel als bron om datagedreven te kunnen werken. Ik hoop dat er meer ziekenhuizen zijn die hier een actieve rol in kunnen nemen.