Overzicht

Complexiteit en nuance: verslag voorjaarssymposium NVS

05 mei 2014

(Laatst aangepast: 28-08-2016)

Complexiteit en nuance: verslag voorjaarssymposium NVS

Opinie en interview

Op 21 maart hield de Nederlandse Vereniging voor Stralingshygiëne (NVS) haar voorjaarssymposium in Nieuwegein met als thema ‘rekenmethodieken in de stalingsbescherming.’ Een toepasselijke titel, want de complexiteit van veel modellen die frequent worden gebruikt is de laatste jaren enorm toegenomen.

Weefselweegfactoren

De eerste, internationale, spreker was Maria Zankl, werkzaam in het Helmholtz Zentrum in München. Haar verhaal spitste zich toe op de omrekeningen die nodig zijn om een van een fysische maat naar een biologisch effect te komen. De eerste stap, de stralingsweegfactoren die het effect van verschillende soorten straling weergeven, zijn licht aangepast om de verbeterde kennis over neutronen (en de toepassing daarvan in bijvoorbeeld de radiotherapie) over te brengen. De weefselweegfactoren, die het relatieve effect van straling per orgaan of weefsel bepalen, waren enkele jaren geleden al aangepast (ICRP 103, 2007), maar werden nog even aangestipt.

 

Voxel en MIRD fantomen

 Het voornaamste stuk van de presentatie behandelde het verschil tussen voxel en MIRD fantomen (ICRP 110, 2010), die gebruikt kunnen worden om bij een bekende intreedosis een effectieve dosis te schatten. De MIRD fantomen waren gebaseerd op een standaard man en vrouw, waarbij de organen een versimpelde vorm hadden. Dosissoftware beschikte over Monte Carlo-simulaties van deze benadering. De nieuwe fantomen zijn zogenaamde computational phantoms, gebaseerd op CT scans van een gemiddelde man (176cm/73 kg) en een gemiddelde vrouw (167cm/63kg) en opgebouwd uit kleine driedimensionale voxels die allemaal een orgaan/weefsel representeren. Deze nieuwe fantomen zijn veel beter in het geven van dosisbenaderingen. Meeste verschillen met de oude fantomen liggen onder de 30%, maar zijn soms ook veel hoger. Dit bleek sterk afhankelijk van de geometrie van de patiënt, want organen blijken vaak anders te liggen dan in de oude modellen werd aangenomen. De vraag is of er een speciaal model voor grote mensen moet komen, want de gemiddelde Nederlander is natuurlijk langer en zwaarder. ICRP en ICRU gaan deze modellen nu gebruiken in nieuwe dosimetrie aanbevelingen/richtlijnen.

Figuur 1De oude MIRD fantomen (L) en de nieuwe voxelfantomen (R)

Figuur 2Evolutie van het model voor het menselijk spijsverteringskanaal

Inwendige besmetting en huiddosis

De volgende spreker was Folkert Draaisma van NRG Petten, die beschreef wat de principes en evolutie zijn van de berekeningen aan inwendige besmetting en huiddosis. Allereerst merkte hij op dat de basisprincipes van de stralingsbescherming niet van toepassing zijn bij inwendige besmetting: afstand houden kan niet en er zijn nauwelijks mogelijkheden om de bron af te schermen of de doorlooptijd te verkorten. Daarnaast is de perceptie van inwendige besmetting heel anders (lees: erger) dan bij externe bestraling. Er zijn modellen voor inhalatie van radioactiviteit en voor ingestie. Volgens Draaisma verschillen de nieuwe modellen (ICRP 100, 2006) niet veel van de oude modellen uit ICRP 30 (1982). Wat wel duidelijk was is dat de (compartimenten)modellen die gebruikt worden om te kunnen berekenen wat de volgdosis is na een inwendige besmetting een stuk complexer zijn geworden de afgelopen jaren. Met de oude modellen was het nog mogelijk zelf berekeningen uit te voeren, maar de nieuwe modellen zijn te complex en hebben teveel afhankelijkheden. Het lastigste en belangrijkste blijft het goed schatten van de bronactiviteit. Door vaak gebrekkige kennis hierover en de verschillen tussen personen hebben dit soort berekeningen snel een onnauwkeurigheid van een factor 5.

Middagprogramma

Opmerkelijk was dat de ochtendpresentaties een uur per stuk duurden. De sprekers werden daardoor niet uitgedaagd om een efficiënt verhaal te vertellen en de boodschap had veelal in een kortere tijd voor het voetlicht gebracht kunnen worden. Na de lunchpauze volgden een aantal, gelukkige kortere presentaties.

Martijn van der Schaaf van het ministerie van Economische Zaken maakte duidelijk wat het verschil is tussen vrijstellings- en vrijgavegrenzen bij transport van radioactieve stoffen. Teun van Dillen van RIVM sprak over vrijgave bij oppervlaktebesmetting. Voor consumentenproducten bestond nog geen maat voor oppervlaktebesmetting en het oude model hield geen rekening met het maximaal afvegen van de besmetting. In de praktijk viel de oppervlaktebesmetting daardoor vaak mee ten opzichte van de berekeningen. Klinisch fysicus Marc Huisman uit het VUMC vertelde over het berekenen van volgdosis bij patiënten die nucleair geneeskundige onderzoeken ondergaan en klinisch fysicus Jorrit Visser uit het AMC gaf inzicht in de treatmentplanning bij radiotherapie. De dag werd afgesloten door Harry Slaper (RIVM) met een update over de status van de Fukushima-ramp, waarbij de status van de reactoren werd besproken en de mate van lozing van radioactiviteit in de zee werd geanalyseerd.

 

Resume

Terugkijkend op de dag werd mooi duidelijk dat de stralingshygiene een wereld is van complexiteit en nuance; het was een geslaagde tour langs een aantal belangrijke ontwikkelingen, die wellicht wel wat compacter gepresenteerd hadden mogen worden. Er was in ieder geval veel animo voor het symposium en de bijbehorende stands want de vereniging is groeiende, dus hopelijk is het volgende symposium minstens zo interessant.

Toon alle referenties

Auteur